Gilde historie

Gilde Historie

Gilde Historie

Het was vanuit het bestuur al geruime tijd een wens om iets nieuws toe te voegen aan de reeds bestaande gilde-aktiviteiten. We wilden dan ook, als bestuur, een gildestructuur introduceren gelijk aan de structuur van de oude handwerksgilden uit de middeleeuwen, maar dan wel in een wat moderner jasje gestoken.

Het heeft alles bij elkaar ongeveer twee jaar geduurd voordat een en ander een beetje vorm kreeg en de gildebepalingen voor toetreding tot het gilderegister voor zowel wijnmakers als bierbrouwers een beetje gestalte kreeg. Vooral de eisen te stellen aan het proefstuk, zijnde een eigen gebrouwen bier of zelf gemaakte wijn, waren nogal eens onderwerp van discussie.

Het bestuur had een indeling voor ogen gebaseerd op het behalen van prijzen tijdens wedstrijden van voldoende niveau, d.w.z. met een minimaal aantal inzendingen en keuring van de bieren door een bierkeurmeester van het Bier Keurmeesters Gilde (BKG) en voor de wijnen keuring door een keurmeester van het Wijn Keurmeesters Gilde (WKG).

 

Iets over de historie van gilden

De Middeleeuwen staan bekend als een onveilig, ja zelfs gevaarlijk tijdperk: roofovervallen, dun bevolkte streken, lange eenzame wegen, kleine steden, machtige heren, ziekten en gebrek. Wat konden de mensen daartegen doen? Ze konden bijvoorbeeld steun zoeken bij elkaar. En dat deden ze ook, want samen ben je nu eenmaal sterker dan alleen.

Zo moet het gebeurd zijn. Kooplieden vormden een koopmansgilde, wevers een weversgilde, bakkers een bakkersgilde. Allemaal verenigingen van mensen die eenzelfde beroep uitoefenden. De doelstellingen van deze gilden waren: elkaar bijstaan, je vak hooghouden, samen kerkdiensten bijwonen, samen feestvieren, weduwen en wezen van je collega’s helpen.

De koopmansgilden zijn de oudste. Ze bestonden al in de Romeinse tijd en zelfs de Germanen kenden ze al. Deze koopmansgilden vormden opslagplaatsen en winterkwartieren op gemakkelijk bereikbare plaatsen bij rivieren en baaien. Zo’n opslagplaats was bijv. Dorestad, in de buurt van het tegenwoordige Wijk bij Duurstede. Verder trokken ze in grote karavanen van jaarmarkt naar jaarmarkt, om zich zo tegen overvallen te beschermen.

Later, in de elfde en twaalfde eeuw, ontstonden de versterkte steden. Daar woonden nogal wat handwerkslieden, zoals bijvoorbeeld timmerlieden en smeden. Ook die groepen van handswerklieden sloten zich aaneen. Zij vormden de ambachtsgilden, zoals we die uit de geschiedenisboekjes kennen. De leden van zo’n ambachtsgilde waren te onderscheiden in: bazen, knechts en leerjongens. Je kon niet zo maar lid worden van een gilde. Wie wilde toetreden, moest voldoen aan bepaalde eisen. Die eisen stonden nog niet direct vast bij het ontstaan van deze gilden. Ze werden pas later nauwkeurig omschreven.

Wie tot een gilde wilde toetreden, moest eerst een leerstuk aan het bestuur van dat gilde laten zien. Een soort proefwerk als bewijs dat men zijn vak verstond. Als het leerstuk werd aanvaard, kon men in dienst treden als leerknaap of leerling.

Om een stap verder te komen in het vak, moest men weer een werkstuk maken. Een moeilijker werkstuk dan het eerste. Als ook dit aan de gestelde eisen voldeed, ken men zich gezel noemen.

Het zwaarste examen moest men afleggen om meester van het gilde te worden. Hiervoor vroeg het gildebestuur een werkstuk dat waarlijk de naam meesterstuk verdiende. Was men er in geslaagd zo’n meesterstuk te maken en was het door het bestuur aanvaard, dan kon men zich meester noemen. Zo’n meester mocht zich zelfstandig vestigen. Hij kon dan een eigen bedrijfje beginnen, bijv. als meester timmerman of als meester kleermaker. Bij die eigen bedrijfjes was de werkplaats tevens winkel. Er zijn nog heel wat meesterstukken te bewonderen in musea, oude stadhuizen en oude gildehuizen.

Overigens was deze gang van zaken niet op alle gilden van toepassing. Bovendien veranderden de eisen in de loop der tijd. Ook waren er verschillen tussen de ene plaats en de andere. Om een bepaald vak uit te oefenen, moest men lid van een gilde zijn. Je mocht dus niet zo maar doen of laten wat je wilde. Ook de meester was aan regels gebonden. Zo mocht hij meestal niet meer dan twee leerlingen aannemen.

De werktijden waren in de Middeleeuwen erg verschillend, zowel van plaats tot plaats als van gilde tot gilde. In het algemeen echter viel de werktijd tussen zes uur ‘s morgens en acht uur ‘s avonds. Op zon- en heiligendagen werd er niet gewerkt (heiligendagen zijn dagen waarop een heilige wordt herdacht, bijv. St. Jan).

De leerlingen moesten in de regel leergeld betalen. Loon ontvingen zij meestal niet. Het was het voordeligst om bij je vader in de leer te gaan. Was dat niet mogelijk, dan ging de leerling vaak in de kost bij zijn baas. Er waren ook leerlingen die van de ene baas naar de andere trokken. De leertijd varieerde heel sterk, afhankelijk van het vak. De een hoefde maar een half jaar te leren, de ander wel vier volle jaren.

Wie na het maken van een meesterstuk werd aangenomen bij het gilde, moest entreegeld betalen. Het was ook de gewoonte dat de nieuwe meester een groot feest gaf ter ere van de behaalde titel (een goede gewoonte om ook bij het gilde in te voeren).

 

Gildebrief (reglement van toetreding)

De deelname aan de gildestructuur geschiedt op basis van vrijwilligheid. Elke gildelid, inclusief het bestuur, begint op het niveau van leerling of gezel.

Het gildelid vraagt zelf de titel aan door overhandiging van een kopie van het keurings-formulier aan het zittende gildebestuur. Het keuringsformulier bevat een beoordeling van de resultaten van een proefstuk op grond van welke voorspraak wordt verwacht, zijnde een zelf gebrouwen bier of zelf gemaakte wijn. Het gildelid ziet er op toe dat het keuringsformulier volledig is ingevuld door de keurmeester en voorzien is van zijn eigen naam. Door inlevering van de receptuur en het keuringsformulier verklaart het lid het proefstuk zelf te hebben vervaardigd en geheel voor eigen gebruik te zullen aanwenden dan wel te nuttigen. Enige hulp van overige gildeleden, zowel bij de vervaardiging als het nuttigen van het proefstuk is hierbij toegestaan.

Er zal een gildeboek worden bijgehouden met vermelding van naam en titels. Het voldoen aan de eisen die de titel met zich meebrengt is tijdloos, met andere woorden eenmaal verworven blijft verworven en er is geen tijdslimiet om van leerling, gezel, naar brouwmeester of grootmeester op te klimmen. Het gildelid is gehouden de receptuur aan het zittende gildebestuur te overhandigen, zulks ter beoordeling van het proefstuk en ten behoeve van publicatie in het gildeblad, dit ter vermeerdering en verspreiding van de algemene kennis onder de aangesloten gildeleden. De nieuwe Gezel, Meester of Grootmeester ontvangt een oorkonde en is vanaf het tijdstip van uitreiking van de oorkonde gerechtigd de bijbehorende titel te voeren.

Er zal een schild worden ontworpen met hierop de behaalde titel gekoppeld aan de naam van het lid. Alleen gildeleden van het Wijnmakers- en Bierbrouwersgilde de Amervallei kunnen opgenomen worden in het gilderegister. Aanpassingen van het reglement kunnen alleen worden uitgevoerd door het voltallige zittende bestuur.